
'Er is een groeiende groep hardnekkige fraudeurs'; 
NRC.NEXT
2 oktober 2012 dinsdag
Section: Op de hoogte
 Freek Schravesande
De aanleiding
Vandaag stemt de Eerste Kamer over een wetsvoorstel dat beoogt bijstandsfraudeurs strenger te straffen. Als de Kamer instemt, moeten fraudeurs vanaf januari niet alleen het te veel ontvangen bedrag terugbetalen, maar ook een boete die net zo hoog is. Bij herhaald gedrag kan de uitkering worden stopgezet. De wet is voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een van de 'speerpunten' voor komend jaar.
Maar het wetsvoorstel is niet onomstreden. De Tweede Kamer ging weliswaar akkoord, in de Eerste Kamer rezen vragen over onder meer de noodzaak van de wet. De minister motiveert de strengere aanpak door te wijzen op de 'groeiende groep hardnekkige fraudeurs'. Zo staat in de Memorie van Toelichting: 'Ondanks de sterk verbeterde opsporingspraktijk blijkt dat een relatief kleine, maar gestaag groeiende groep hardnekkige fraudeurs verantwoordelijk is voor een steeds groter deel van het totale fraudebedrag'.
Volgens leden van de PvdA-fractie schetst het ministerie van Sociale Zaken hiermee een onjuist beeld om de strenge aanpak te motiveren. Zij vragen zich af of er wel sprake is van een 'groeiende groep hardnekkige fraudeurs'.
Waar is het op gebaseerd?
De Memorie van Toelichting baseert zich op de bijstandsdebiteurenstatistiek (BDS) van het CBS die schulden van mensen in de bijstand bijhoudt. De genoemde cijfers gaan over de periode 2008 tot en met 2010. Daaruit blijkt het aantal debiteuren met 'verwijtbare bijstandsvorderingen van 25.000 euro en meer' gedaald van 4.980 gevallen naar 4.840. Ook is het openstaande bedrag van de fraudeurs gedaald, van 522,7 naar 497,1 miljoen euro. Het relatieve aandeel van deze groep is wel gestegen: in aantal van 7 tot 7,7 procent, in aandeel openstaand bedrag van 46,5 tot 49,3 procent.
In een antwoord op vragen uit de Eerste Kamer noemt het ministerie ook een tweede bron: de bijstandsfraudestatistiek (BFS) van het CBS die gegevens bijhoudt over personen naar wie een uitkeringsfraudeonderzoek is uitgevoerd. Het ministerie schrijft dat 'uit cijfers over 2011 blijkt dat zowel het aantal absolute als relatieve fraudegevallen met hoge bedragen is toegenomen. Het aantal geconstateerde overtredingen met de WWB is van 11.100 in 2010 naar 12.600 in 2011 gestegen, terwijl het gemiddelde benadelingsbedrag is gestegen van 4.800 euro naar 5.300 euro. Het aantal personen met een groot fraudebedrag is verder opgelopen tot 50,7 procent. Dit bevestigt het beeld van een groeiende groep hardnekkige fraudeurs.'
En, klopt het?
Volgens de bijstandsdebiteurenstatistiek (BDS) is het aantal fraudeurs met een openstaand bedrag van 25.000 euro of meer in absolute zin afgenomen, evenals het openstaande bedrag. Dat het relatieve aandeel van deze groep tussen 2008 en 2010 is gestegen van 7 tot 7,7 procent betekent dus dat andere debiteuren in deze statistiek, onder wie de kleinere fraudeurs, in aantal nóg sterker zijn gedaald. Het is de vraag of dit wel een goede indicator is om uitspraken te doen over het aantal uitkeringsfraudeurs. Zou je de genoemde groep afzetten tegen bijvoorbeeld de groeiende groep mensen in de bijstand als geheel, dan krijg je hele andere uitkomsten.
De tweede bron die het ministerie noemt, is de bijstandsfraudestatistiek (BFS) waaruit blijkt dat het aantal fraudegevallen tussen 2010 en 2011 is toegenomen. Deze statistiek is echter zo onbetrouwbaar dat het CBS al in 2009 besloot de publicatie ervan te stoppen. De BFS heeft ,,ernstige methodologische tekortkomingen", schreef het CBS destijds. ,,Er is sprake van grote verschillen in de aanlevering van gegevens door gemeenten. (...). De omvang van de vertekening (...) is onbekend. Het CBS adviseert daarom zeer terughoudend te zijn in het gebruik van dit bestand en de conclusies die op basis van het gebruik ervan worden getrokken."
Vorig jaar heeft Sociaal Economisch Onderzoek Rotterdam (SEOR) in opdracht van het ministerie onderzoek gedaan naar achtergrondkenmerken van bijstandsfraudeurs. Een van de onderzoekers, Marcel Spijkerman, concludeerde ook toen dat over de totale groep onmogelijk iets te zeggen valt omdat door registratieverschillen tussen gemeenten sprake is van ,,over- en onderrapportage".
Bij behandeling van het wetsvoorstel vorige week in de Eerste Kamer presenteerde staatssecretaris Paul de Krom (Sociale Zaken) op de valreep plots nieuwe cijfers over het aantal bijstandsfraudeurs. Hij zei dat het aantal geconstateerde overtredingen is gestegen van 66.200 in 2010 tot 87.100 in 2011 en het totaalbedrag van 119 miljoen tot 153 miljoen euro. Dit bleek volgens hem uit gecombineerde cijfers van UWV, SVB en Wwb.
Ook als deze cijfers kloppen, is het de vraag wat je nu eigenlijk weet. De statistieken zeggen vooral iets over inspanningen van gemeenten op het gebied van handhaving, niet over het werkelijke aantal fraudeurs. Sommige gemeenten hebben van opsporing het afgelopen jaar prioriteit gemaakt. Ook worden de cijfers beïnvloed door de oprichting van - succesvolle - anonieme meldpunten voor bijstandsfraude in gemeenten, en er zijn gemeenten die in één jaar flinke 'achterstanden' aan fraudesignalen wegwerken. Ten slotte is het de vraag of je een toename in één jaar wel als trend mag uitleggen.
Conclusie
Het wetsvoorstel dat strengere sancties tegen bijstandsfraudeurs regelt, wordt gemotiveerd door te wijzen op de 'groeiende groep hardnekkige fraudeurs'. De bron in de Memorie van Toelichting duidt juist op een kleiner wordende groep, stijging is er alleen in relatieve zin. Een andere bron, de bijstandsfraudestatistiek, is onvoldoende betrouwbaar. Uit een koppeling van gegevens van UWV, SVB en Wwb blijkt volgens het ministerie wel sprake van een stijging. Statistieken zeggen echter vooral iets over inspanningen van gemeenten op het gebied van handhaving, niet over het werkelijke aantal fraudeurs. Next.checkt beoordeelt de bewering daarom als ongefundeerd.
 
Mirjam van der Hoek / Hollandse Hoogte
